Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8171

Datum uitspraak2004-12-17
Datum gepubliceerd2004-12-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4610 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzet ongegrond verklaard. Betrokkene heeft in zijn verzetschrift niets aangevoerd dat kan dienen als verontschuldiging voor de te late betaling van het griffierecht.


Uitspraak

03/4610 WAO U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats] (Marokko), opposant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING De Raad heeft bij uitspraak van 27 februari 2004 het namens opposant ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van hem gegeven uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2003, nummer AWB 02/1315 WAO, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald. Tegen die uitspraak heeft mr. P. van Baaren, advocaat te Amsterdam, namens opposant bij brief van 24 maart 2004 een voorlopig verzetschrift ingediend. In dit verzetschrift heeft mr. P. van Baaren bericht dat hij niet langer als gemachtigde van opposant zal optreden. Opposant heeft bij schrijven van 8 juni 2004 de gronden van het verzet ingediend. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 november 2004. Partijen zijn niet verschenen. II. MOTIVERING In het verzetschrift heeft opposant aangevoerd dat het moeilijk is om vanuit Marokko geld over te maken naar Nederland en dat zijn voormalige gemachtigde het verschuldigde griffierecht eerst na ontvangst van het bedrag van opposant aan de Raad wilde overmaken. De Raad stelt vast dat opposant in zijn verzetschrift niets heeft aangevoerd dat kan dienen als verontschuldiging voor de te late betaling. De Raad overweegt daartoe dat de gevolgen van processuele handelingen van een gemachtigde in het algemeen voor rekening dienen te blijven van degene die zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd. De Raad is niet gebleken van gronden om daarover in het onderhavige geval anders te oordelen. Het verzet moet derhalve ongegrond worden verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2004. (get.) J. Janssen. (get.) M.H.A. Uri.